Rol van bedrijven in Lerende Economie miskend

Het belang van het WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’ dreigt verloren te gaan in een machtsspel tussen het kabinet enerzijds en de oppositie en enkele economen anderzijds. Dat komt ook omdat er in het debat te veel nadruk wordt gelegd op de rol van de overheid en het onderwijs. Zo dreigt over het hoofd te worden gezien dat voor een lerende economie noodzakelijk is dat arbeidsorganisaties (ondernemingen) zich verder ontwikkelen naar creatief lerende organisaties. Die noodzaak blijft onderbelicht, al noemt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) deze impliciet wel. Dat er geleerd wordt op de werkvloer is op zich niet nieuw. Sinds de Tweede Wereldoorlog is via het zogeheten leercurve-effect op de werkvloer zeer veel gewonnen in termen van arbeidsproductiviteit. De omslag naar een economie waarin menselijk kapitaal de belangrijkste vorm van kapitaal wordt, betekent dat nieuwe kennis steeds meer op de werkvloer wordt gecreëerd; niet alleen in R&D-afdelingen of onderzoeksinstituties. Ondernemingen staan nu voor de uitdaging hun organisaties om te vormen van ervaringsleren naar creatief leren, want het uitsluitend leren van ervaring leidt tot overspecialisatie en versimpeling, zo schreven de psychologen Levinthal en March al begin jaren negentig. Om dit nieuwe, creatieve leren en de nieuwe kennis die dit oplevert goed te benutten is wel een aantal principiële aanpassingen nodig in arbeidsorganisaties. Welke dat zijn is inmiddels beschreven in de vakliteratuur, maar ze worden in Nederland nog onvoldoende toegepast. In beginsel kunnen ondernemers die maatregelen zelf doorvoeren, maar daarbij is wel van belang welke ruimte de overheid ondernemers geeft. De ervaringen uit de jaren vijftig in Nederland en die op dit moment in de VS leren dat het maatschappelijk klimaat van ambitie, de wil om te groeien en daarmee wet- en regelgeving ten dienste te stellen van ondernemerschap en economische groei, ondernemers helpen hun nek uit te steken om hun organisaties drastisch te moderniseren. Niet alleen is sociale innovatie nodig, ook de systemen van organisaties moeten op de schop en die systemen worden te veel verstoord door de overheid. We mogen niet vergeten dat de arbeidsproductiviteitsstijging van na de Tweede Wereldoorlog bij ondernemers werd afgedwongen door een geleide loonpolitiek en de industrialisatienota’s van de overheid. Dat heeft toen perfect gewerkt en daar plukken we ook nog steeds de vruchten van. Het lijkt wel dat we niet zozeer gevangen zitten in het RSV-trauma, maar dat we blijven hangen in het succes van de naoorlogse industriepolitiek, met zijn toen zeer succesvolle modernisering van arbeidsorganisaties. De daaruit resulterende interne arbeidsverhoudingen zijn nu verouderd evenals de methoden voor financieel beheer. De bijdrage die de politiek nu kan leveren aan de economische groei is door in de wet- en regelgeving zaken als risicomanagement en compliance te onderdrukken ten gunste van aandacht voor investeringen door het bedrijfsleven in menselijk kapitaal. Een belangrijke factor in het creëren en het benutten van menselijk kapitaal is het veel vrijer organiseren van de informatie. De overheid moet regelen dat niet langer allerlei toezichthoudende organen op eigen houtje eisen stellen aan rapportages van ondernemingen. Daarmee verstoren zij, onbedoeld, de kwaliteit van informatie die nodig is om lerende organisaties te realiseren. De WRR formuleert in ‘Naar een lerende economie’ vijf opdrachten, vier gericht op de instituties voor onderwijs en onderzoek en de vijfde op de arbeidsorganisaties. Die vijfde opdracht weegt even zwaar als de overige vier tezamen. Valorisatie van kennis vindt plaats op de werkvloer.

Bron: Prof. dr. J. Strikwerda, hoogleraar Amsterdam Business School (UvA) in #FD

Advertenties

Over aadvredenbregt

zie de pagina About
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .